Navigate / search

IkVader speelt Call of Duty: verderfelijk vertier of geweldige game?

frontsoldaat stalingrad

Dreigende muziek zwelt aan. Ik zie aan flarden geschoten huizen, rookwolken, ontploffingen. Soldaten rennen voorbij, net op tijd achter een muur weg duikend. Wassili! Repareer die telefoonlijn! Ik grijp mijn machinegeweer en ga erop uit. Ja, ik ben weliswaar in de Dordogne op vakantie in de zomer van 2008 maar ondertussen vecht ik als Russische frontsoldaat in het Stalingrad van 1943.

Met lood vullen
Met een soepele muisbeweging vind ik net op tijd een plek achter een stalen bureaublad dat de Duitse kogelregen kan pareren. Een druk op een toets en ik heb een pistool in de hand dat ik over het bureau leg zodat ik de moffen ongezien met lood kan vullen. Opstaan, rennen, het spoor van de telefoonlijn volgen en ja, daar zie ik het gloeiende stukje draad dat vervangen moet worden. Opschieten! Als ik een beetje doorvecht haal ik nog voor de barbecue de slag bij El Alamein waar ik het als lid van het Britse 8e leger moet opnemen tegen de mannen van Rommel. En wie weet land ik vanavond nog op Normandië! Eindelijk eens voelen hoe het is om in het spoor van Robert Capa naar Omaha Beach te drijven!

Beroemde slagvelden
Mijn speelkameraad van deze vakantie heet Call of Duty, een game die de speler parachuteert boven de beroemdste slagvelden van WO II. Na een korte documentaire uitleg over de situatie van het front, krijg je een identiteit en een opdracht toegewezen. Koptelefoon op en knokken maar. Even afgezien van Pong, je weet wel, die uit 1972 daterende game waarin twee pixels een balletje heen en weer mepten, is dit de eerste game waar ik aan verslingerd ben. Nee, met mijn 40+ ben ik niet de jongste gameverslaafde, maar ook niet de enige. Een paar cijfers. Bijna 75% van de Nederlandse kids tussen de zes en de veertien jaar speelt games, gemiddeld anderhalf uur per dag. In 2005 werden in Nederland meer dan 6,8 miljoen computer- en videogames verkocht met een totale omzetwaarde van 186 miljoen euro. En in de VS hebben games de tv verslagen als populairste vrije tijdsbesteding. Kortom, games zijn niet te stuiten en ‘dus’ regent het waarschuwingen, zoals elke cultuurvorm die de jeugd verovert wordt voorafgegaan door zalen vol met opgeheven vingers… ‘Een bankoverval uit een stripboek wordt gemakkelijk vertaald tot het overvallen van een  snoepwinkel. Dit is geen gezonde geestelijke voeding voor kinderen!’ schreef de gereputeerde Amerikaanse psychiater Fredric Wertham in 1954. De publicatie van zijn boek Seduction of the Innocent leidde zowaar tot een McCarthy-achtige kruistocht tegen het stripboek. Krap twee eeuwen eerder, in 1790, probeerde de eveneens Amerikaanse predikant Enos Hitchcock de verspreiding van de roman te beperken tot volwassenen. ‘De vrije toegang die veel jonge mensen hebben tot romans en  toneelstukken hebben hun geest vergiftigd en hun moraal gecorrumpeerd,’ schreef hij in Memoirs of the Bloomsgrove Family, een educatief boek dat tegenwoordig in een adem met Werthams werk wordt genoemd als voorbeeld van achterhaalde opvoedkundige hysterie.

Zelfmoord
De waarschuwingen die momenteel tegen games worden geuit, zijn nog niet bijschreven in deze analen. In boeken, tijdschriften en websites krijgen de zedenpredikers nog volop ruimte, geïnspireerd door incidenten die de kranten regelmatig serveren. Zo schrok menige ouder een paar jaar terug op bij het verhaal over Xiao Yi, een dertienjarig Chinees jongetje dat zelfmoord pleegde door van de 24e verdieping af te springen. In de brieven die hij achterliet, schreef het jochie dat hij zich na zijn dood bij zijn vrienden uit cyberspace zou voegen. Een klassiek geval van IAD (Internet Addiction Disorder), oordeelden deskundigen. En onlangs kwamen Duitse experts naar buiten met een onderzoek waaruit zou blijken dat de hersenen van mensen die overmatig veel computerspelletjes spelen dezelfde reacties vertonen als die van alcohol- en wietverslaafden. Afstomping, frustratie, identificatie met geweld en stoere mannenrollen, sociale isolatie, lichamelijke klachten als RSI, duizeligheid en epilepsie worden consequent genoemd als de grootste risico’s.

Zedenpredikers
Maar, zijn al die waarschuwingen terecht? Hoeveel van zedenpredikers hebben zélf games gespeeld? In het internetblad Wired gaf Will Wright, de bedenker van Simms, een prikkelend antwoord op deze vraag. Stel je voor dat je de invloed van speelfilms op jongeren beoordeelt door hen in de bioscoop te observeren, zei hij. Let wel, de film zelf bekijk je niet. Nee, je kijkt alleen naar jongeren die met een zak popcorn in hun fauteuils achterover leunen. Je zou tot de conclusie komen dat speelfilms een verderfelijk soort luiheid veroorzaken en honger naar snacks. Misschien is dat wel zo, maar toch mis je dan het grote plaatje. Iets soorgelijks gaat ook voor games. We zijn teveel geneigd ons hoofd te schudden omdat zoon of dochter teveel achter toetsenbord of console hangt en kijken te weinig naar alle positieve effecten van games. Waarom geven mensen tegenwoordig meer geld uit aan games dan aan bioscoopkaartjes? Waarom is de games-industrie in omzet groter dan de speelfilmindustrie? Omdat games onze fantasie tarten en uitdagen, ons verhalen vertellen die we zelf kunnen beïnvloeden, ons in staat stellen met anderen te communiceren en ons stimuleren nieuwe werelden te verkennen. Zo is dat. Will Wright is mijn gamesheld. Nee toch, is het nu al tijd voor de barbecue?